NBDC - english

NBDC - deutsch

NBDC - français
Zoek
Contact
Links
Sitemap

NBDC-home / Geschiedenis / Werkgroep Brandweer Historie / Biografieën: Jan van der Heiden

Biografieën: Jan van der Heiden

Jan van der Heiden
Van Gorkum naar Amsterdam
Jan van der Heiden's bemoeizucht
Slangbrandspuiten
De organisatie in het bluswezen
Jan van der Heiden als kunstenaar
Het vervolg
Tentoonstelling in het Rijksmuseum

In de loop van de geschiedenis hebben een aantal markante figuren een belangrijke rol in de brandweerhistorie gespeeld. De één wat meer op de voorgrond, de ander in alle bescheidenheid, een niet onbekende eigenschap bij de brandweer. In een serie artikelen in de Eén-Eén-Twee wil de Werkgroep Brandweer Historie de herinnering aan een aantal van die persoonlijkheden weer een beetje tot leven brengen. Deze keer (april 2006):

Jan van der Heiden
Jan van der Heiden of van der Heijden of van der Heyde of van der Heide, vóórdat de Burgerlijke Stand in de Napoleontische tijd werd ingevoerd, kwam het er niet zo nauw op aan hoe een naam geschreven werd. We houden de spelling aan, die de hoofdpersoon zelf hanteert op de kaften van zijn beroemde brandspuitboeken. Hoe de naam ook gespeld werd, zijn diensten aan Amsterdam en de wereld zijn onbetwist en met een gerust hart mag Jan van der Heiden de uitvinder van de moderne (eigenlijk nog hedendaagse) blustactiek genoemd worden. Hij vond als het ware de 'binnenaanval' uit en tot op de dag van vandaag weten we daarmee hele lesboeken en congressen te vullen. Hoog tijd om ons eens nader te verdiepen in de Stamvader van de brandweer.

Van Gorkum naar Amsterdam
Zoals bij zoveel steden in die tijd, was het brandblussen een kwestie van lange rijen mensen, die emmertjes water aan elkaar doorgaven. Later werden dat leren emmers en werd er organisatie in de blussing gebracht door bepaalde gilden of broeders voor deze diensten aan te wijzen. Met wat kleine wijzigingen bleef deze regeling in stand tot in de zeventiende eeuw. Pas toen het stadhuis van Amsterdam op 7 juli 1652 afbrandde, werd er weer een nieuw tijdperk ingeluid. Ten eerste begon het stadsbestuur zich weer te interesseren voor brandblussing en ten tweede was de toen 15-jarige jongeman Jan Goriszoon van der Heiden getuige van de brand. Het gevolg van de eerste interesse was de aankoop van 58 handbrandspuiten bij de fabriek van Hans Hautsch te Neurenberg, die in 1654 afgeleverd werden. Het gevolg van de aanwezigheid van Jan van der Heiden werd pas later merkbaar en klonk door tot in de geschiedenisboeken.
De jonge Jan van der Heiden was op 12-jarige leeftijd met zijn familie naar Amsterdam verhuisd vanuit zijn geboortestad Gorinchem. Jan had bij zijn oudere broer gewerkt in een spiegelmakerij, werd opgeleid tot glasschilder en was van zichzelf een zeer verdienstelijk tekenaar en schilder aan het worden. Daarnaast was hij een voortreffelijk organisator, wiens ideeën en hun uitvoering van grote betekenis waren voor Amsterdam.

Jan van der Heiden's bemoeizucht
Een eerste omwenteling bracht Jan te weeg door in november 1668 het stadsbestuur voor te stellen om door de hele stad openbare straatverlichting aan te brengen. Hij deed zijn voorstel "om bij duystere nachten de gehele Stad met lichten te voorzien, om te verhoeden het verongelucken van veele menschen, die bij duysternis in 't water vallen ende versmoren ... om huysbraken te ontdecken ende moetwille te weren, ende dan oock om bij brant allome licht bij de hand te hebben".
De vele grachten van Amsterdam waren in donkere nachten inderdaad levensgevaarlijk en criminaliteit was ook toen niet onbekend in Amsterdam. Verlichting bij brand was uiteraard helemaal noodzakelijk, omdat in die jaren nog steeds lange rijen mensen nodig waren, die de emmertjes water vanuit de gracht van hand tot hand doorgaven tot aan de brandspuiten. Die brandspuiten konden namelijk niets anders dan het aangevoerde water onder verhoogde druk via een vaste straalpijp omhoog spuiten. Daarvoor was het nodig om de spuit pal onder het brandende pand te plaatsen, hetgeen nogal eens tot ongelukken leidde.
De openbare straatverlichting kwam er. In het door Jan van der Heiden gepresenteerde plan was voorzien in ruim 2500 olielantaarns, deels op houten palen, die dagelijks door een organisatie van lantaarnopstekers ontstoken en gedoofd werden. Het ontwerp van de lantaarns was van Jan van der Heiden zelf, die daarvoor uitgebreid geëxperimenteerd had met geschikte kousen, olie en lantaarnontwerpen. Als kroon op het werk werd hij in september 1669 benoemd tot directeur en opzichter van de Stadsverlichting, waarvoor hij een jaarlijkse vergoeding van 2000 gulden ontving. Daarmee werd Jan van der Heiden feitelijk de uitvinder van het nachtleven, omdat het door zijn toedoen niet langer levensgevaarlijk was om zich na zonsondergang op straat te begeven. De geschiedenissen van allerlei vormen van vermaak in de avond- en nachturen vangen dan ook allemaal - niet geheel toevallig - aan in deze periode. Al snel volgde de stad Groningen, die in 1682 300 lantaarns van Jan's fabrikaat bestelde en nog in hetzelfde jaar werd in Berlijn de openbare straatverlichting geïntroduceerd, waarbij Jan's modellen en instructies tot op de letter werden overgenomen. Pas in 1840 werden in Amsterdam de lampen van een nieuw model in gebruik genomen.

Slangbrandspuiten
Bracht Jan van der Heiden niet alleen licht en vertier, ook de (brand)veiligheid bleef zijn aandacht houden. Samen met zijn broer Nicolaas, die later een belangrijke waterstaatkundige werd, ontwierp hij een brandspuit van een veel handzamer model dan de logge Hautsch-spuiten. Al in 1672 werden de broers daarom benoemd tot opzichters van het brandwezen, waarmee ze in feite het beheer en onderhoud van het stedelijke brandweermaterieel kregen. In het daarop volgende jaar introduceerden zij het gebruik van brandslangen tussen de pomp en de straalpijp. Daarmee kon het water tot in een brandend pand worden gevoerd, zodat ook kleinere branden efficiënt geblust konden worden. Het werd een succes, want het water kon dáár gebracht worden waar het nodig was, terwijl de spuiten niet meer pal onder de brandende huizen hoefden te worden geplaatst. Successievelijk werden alle in Amsterdam aanwezige brandspuiten aangepast op het gebruik van de leren persslangen. Meer verbeteringen bleken mogelijk. De volgende stap was het construeren van de schraag of waterzak. Dit was een linnen zak aan een uitklapbaar frame, dat bij de waterkant geplaatst werd. Met emmers werd het water uit de gracht gehaald en bovenin de waterzak gegooid. Vervolgens vloeide het water als van een watertorentje via een linnen slang naar de brandspuit. De lange rijen mensen met emmertjes behoorden daarmee tot het verleden. Enkele jaren later lukte het de Van der Heidens een schraagpomp te ontwerpen, waarmee het water uit de gracht gezogen kon worden om zo naar de brandspuiten te vloeien. Voor dat opzuigen waren zuigslangen nodig, die versterkt waren met ijzeren ringen, om het dichtzuigen van de slangen te voorkomen. Voor de aanvoer naar de brandspuit zelf waren linnen slangen nog voldoende, omdat de druk aan die zijde niet zo hoog was. De volgende stap was het mobiel maken van de brandspuiten. Tot dat moment werden de brandspuiten op sleden getrokken door mensen of paarden. Dat was nodig, omdat de bestrating nog niet algemeen was én omdat de spuiten onder de heftige pompbewegingen stabiel moesten blijven. In de inmiddels opgerichte brandspuitenfabriek in de Koestraat had men zich verzekerd van de diensten van een uitstekend wagenmaker, die in staat bleek wielen te maken, die breed genoeg waren voor de soms zachte ondergrond en sterk genoeg om de snelle verplaatsingen te overleven. De brandspuiten, die inmiddels van een kleiner, handzamer formaat waren geworden, werden op karretjes geplaatst, waarin ook het gereedschap en de slangen waren geborgen. Bij brand werden ze van de karren getild en bediend. Als laatste verbetering kwamen de dubbele zuig/perspompen, waarmee zowel het opzuigen uit de gracht als het persen naar de brand met één apparaat konden worden gedaan. Met de introductie van de brandslangen maakten de Van der Heidens het mogelijk om van een statische brandblussing over te stappen op een dynamische blustactiek, waarbij men het vuur kon bestrijden waar het was of naar toe ging. Daarmee werd de basis gelegd voor de 'binnenaanval', waarmee de brandweer tot op de dag vandaag de brand bestrijdt tot in de ruimten waar hij woedt of dreigt te woeden.

De organisatie in het bluswezen
Naast de snelle technische evolutie van de brandspuit hielden de gebroeders zich ook bezig met de organisatie er omheen. Als opzichters van de blusmiddelen hadden ze geen bevoegdheden op het gebied van de tactiek van de brandbestrijding en het vaak eigengereide optreden van de wijkbrandmeesters en hun ongedisciplineerde volk was hen een doorn in het oog. Ze ontwierpen daarom een organisatie met vaste, aangewezen brandweerlieden (geaffecteerden). De spuiten, die in alle (50) wijken waren geplaatst, werden nu niet langer bediend door bepaalde gilden, maar door de geaffecteerden die in die wijken woonden, en daarom veel sneller konden optreden. Om de mensen gemotiveerd te houden werd een premie- en boetestelsel ingevoerd, waardoor het voor veel mensen een leuke bijverdienste werd. Aan het hoofd van de totale organisatie hadden de Van der Heidens zichzelf een plaats toebedacht, maar daar stak de brandmeester-lobby een stokje voor, omdat zijn hun autonomie niet wilden prijsgeven. Het stadsbestuur nam daarop de voorstellen van de Van der Heidens bijna helemaal over, op de tweehoofdige totaalleiding na. Eén van de redenen om dat niet te doen was ook het salaris dat de broers daarvoor vroegen, bovenop dat van opzichter. Een aantal blunders tijdens blussingen bracht het bestuur echter tot andere gedachten en in april 1685 werd uiteindelijk de nieuwe brandkeur van kracht, waarin de totale leiding van de brandbestrijding in handen werd gelegd van twee generaal-brandmeesters, die daarvoor ook een jaarlijkse vergoeding genoten. Dat werden Jan van der Heiden en zijn zoon Jan, want broer Nicolaas was in 1683 overleden. De strakke brandweerorganisatie van dit model heeft - op de periode 1857-1863 na - in Amsterdam dienst gedaan tot aan de oprichting van de beroepsbrandweer in 1874. Daarnaast heeft Amsterdam in tal van plaatsen in de oude en nieuwe wereld model gestaan voor brandweerorganisaties.

Jan van der Heiden als kunstenaar
Nóg waren niet alle talenten van Jan van der Heiden benut. Zoals al eerder opgemerkt, was hij ook een zeer verdienstelijk schilder en tekenaar. Als schilder is hij vooral beroemd geworden om zijn fraaie stadsgezichten met een ongekend waarheidsgetrouwe topografie. Zijn tekentalenten werden vooral ook gebruikt voor de instructies en reclameplaten voor de brandspuiten. In 1690 werden Jan's ervaringen, octrooien en organisatie uitgebreid beschreven in een lijvig en zeer fraai geïllustreerd boek, de basis van de brandweer-vakliteratuur. Daarin werd enigszins geflatteerd gedemonstreerd hoe groot de successen van hun uitvindingen waren, onder andere door een opsomming van branden en schades onder het oude regime, gevolgd door een uitgebreide kroniek van de branden in de slangbrandspuit-tijd. In het boek ontbrak echter de uitgebreide technische beschrijving van de brandspuit, omdat - zoals de auteur opmerkt - de octrooien alléén geen bescherming boden tegen namaak. Diverse keren waren in andere plaatsen (van Alkmaar tot Londen) brandspuiten opgedoken van hetzelfde ontwerp maar niet dezelfde kwaliteit.
In 1735 werd het boek door Jan van der Heiden de Jonge (zoals de zoon zich was gaan noemen) herdrukt en uitgebreid met een aantal fraaie gravures van zijn vader.
De brandspuitenfabriek was een waar succes en de producten vonden - onder andere via de succesvolle scheepvaartverbindingen - hun weg naar alle delen van de wereld. Daarbij werden dan ook in verschillende talen de rijk geïllustreerde handleidingen meegegeven, zodat Jan's pennevruchten in alle hoeken van de beschaafde wereld te vinden waren. Alleen in de Angelsaksische landen, waarmee Nederland regelmatig in oorlog of heftige concurrentieslagen was gewikkeld, bleven hun handspuiten maken met vaste straalpijpen op de pomp zelf. Daar kwam het gebruik van brandslangen pas in de negentiende eeuw in zwang. Het duurde zelfs tot 1997 dat het beroemde slangbrandspuitenboek voor het eerst vertaald werd in het Engels.

Het vervolg
De betekenis van Jan van der Heiden en zijn familie voor de stad Amsterdam, de straatverlichting, de brandweer en de schilderkunst was al met al niet gering. Jan's straatverlichting bleef in stand tot 1840, de brandspuitenfabriek werd voortgezet tot ver in de 19de eeuw, zij het niet door de familie zelf, het ontwerp van de brandspuit werd zelfs nog in het begin van de twintiger jaren van deze eeuw gehanteerd en de brandweerorganisatie fungeerde tot 1874. Jan van der Heiden zelf overleed op 28 maart 1712, maar was in 1692 in zijn functie al opgevolgd door zijn zoon Jan. Die werd bij zijn overlijden in 1726 opgevolgd door diens broer Samuel, die in 1729 zelf het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. De fabriek werd daarop overgedaan aan Pieter Pietersz. (Almenum), die daarmee ook het ambt van generaal-brandmeester overnam. Die personele verbinding tussen de eigendom van de brandspuitenfabriek en het ambt van generaal-brandmeester werd beëindigd met het overlijden van Pieter's kleinzoon Arent Almenum in 1784. Diens assistent Willem Soomer werd generaal-brandmeester, maar nam niet de fabriek over. De erven Almenum zetten de fabriek voort, totdat deze in 1800 werd overgenomen door A.C. Vermunt. Na zijn overlijden in 1825 werd de zaak voortgezet door J.H. van der Willige.
De naam van Jan van der Heiden leeft - zij het in verschillende spellingsvormen - voort op vele manieren. Op de plaats waar vroeger zijn fabriek stond, bevindt zich een gevelsteen. In de westelijke gevel van het Stedelijk Museum te Amsterdam is nog een standbeeld van hem te zien, er zijn alleen al in Amsterdam enkele societeiten, een restaurant, twee straten en drie blusboten naar hem genoemd (geweest) en er zijn zelfs nog een paar van zijn lantaarns te vinden in de stad. Zijn schilderijen en gravures worden als ware schatten in verschillende musea en collecties gekoesterd of circuleren tegen hoge prijzen bij de antiquariaten.

In 2012 is het 300 jaar geleden dat de stamvader van de Brandweer overleed. Om dat niet ongemerkt voorbij te laten gaan, is de Werkgroep Brandweer Historie voorzicht begonnen met het verzamelen van literatuur en gegevens over Jan van der Heiden. Wellicht kan er dan een publicatie komen met veel meer gegevens, die meer recht doet aan de grootsheid van Van der Heidens daden.

Tentoonstelling in het Rijksmuseum
Van 2 februari tot en met 30 april 2007 was er in het Rijksmuseum te Amsterdam een tentoonstelling gewijd aan Jan van der Heiden als schilder en uitvinder. Voor nadere informatie, zie www.rijksmuseum.nl


 

snelzoeken binnen de site

vrijdag 10 september 2010

www.brandweer.nl

Laatste wijzigingen op nbdc.nl
Nationaal monument voor omgekomen brandweermensen
Historische documenten op internet
Werkgroep Brandweer Historie
Oproep voor gegevens over omgekomen brandweerlieden

Nieuwsberichten ANP e.a. op brandweer.nl

Bezoek het Nationaal Brandweermuseum Hellevoetsluis