 |  |  |
 |
|

Biografieën: Cornelius Gordijn jr.

In de loop van de geschiedenis hebben een aantal markante figuren een belangrijke rol in de brandweerhistorie gespeeld. De één wat meer op de voorgrond, de ander in alle bescheidenheid, een niet onbekende eigenschap bij de brandweer. In een serie artikelen in de Eén-Eén-Twee wil de Werkgroep Brandweer Historie de herinnering aan een aantal van die persoonlijkheden weer een beetje tot leven brengen. Deze keer (oktober 2005): commandant Cornelius Gordijn van Brandweer Amsterdam C. Gordijn jr. (die toevoeging 'jr.' gebruikte hij zelf altijd) was commandant van het hoofdstedelijke korps van 1 juni 1915 tot 13 april 1941. In binnen- en buitenland was hij beroemd in brandweerkringen. Maar zijn eigengereidheid, die vaak werd verward met arrogantie, maakte ook dat hij soms verguisd werd. Binnen het korps dat hij leidde, had hij regelmatig aanvaringen en ook met het bestuur van de Koninklijke Nederlandsche Brandweervereeniging (KNBV) lag hij regelmatig overhoop, hoewel hij er enige tijd deel van uit maakte. Zijn carrière kwam door de oorlog anders en vroeger ten einde dan hij zich waarschijnlijk had voorgesteld.
Gordijn was geboren op 24 november 1880 in Amsterdam en volgde na de lagere school de avondschool voor bouwkundig tekenen, waarna hij als loodgieter bij zijn vader in het bedrijf in dienst kwam. In 1900 trad hij in dienst bij de Veldartillerie. Na verscheidene cursussen, die zijn leergierigheid aantoonden, werd hij in 1906 benoemd tot 2e luitenant der Infanterie in Leeuwarden en in 1909 kreeg hij een commissie als uitvinder in de militaire aviatiek. Tijdens montagewerk aan een vliegtuig in 1911 brak hij zijn rechterenkel, waardoor hij altijd een beetje mank is blijven lopen. Mede daardoor werd hij in 1914 gepensioneerd als 1e luitenant. Vanaf het moment dat hij weer goed kon lopen (1912) werkte hij als chef buitendienst en technisch deskundige bij een verzekeringsmaatschappij. Daardoor kwam hij wel eens in contact met de brandweer van Amsterdam, die geleid werd door de 50-jarige commandant J. Meier, die wegens gezondheidsproblemen uitkeek naar een opvolger. De 34-jarige Gordijn werd door het toen zeer voortvarende gemeentebestuur aangesteld per 1 juni 1915. Hij botste vrijwel meteen met de oude garde hoofdofficieren bij het korps en binnen een paar jaar verlieten een aantal veteranen de dienst. Zowel technisch als organisatorisch voerde Gordijn een groot aantal veranderingen door en zijn uitvinderstalenten kon hij prima gebruiken bij de brandweer. Zo vond hij een brandverklikker uit (een stroomonderbreker met smeltschakelaar), een aantal hulpstukken voor de blussing van moeilijke branden, een soort nevelkogel, slangenbruggen, de elevateur, allerlei elektrische snufjes rond het openbare brandmelderstelsel om baldadige alarmeringen te beperken en in 1924 introduceerde hij ten tijde van het uitbundig gevierde 50 jarig jubileum van de beroepsbrandweer de eerste stafwagen met draadloze zend- en ontvangstinstallatie. Daarmee verkreeg men permanent contact tussen de stafwagen en de centrale seinzaal met behulp van spraak. Al in 1924 werd Gordijn voor zijn werk en werken benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. | | Tijdens de jubileumfeesten van 1924 werd (een nep) Jan van der Heiden gehuldigd door commandant Gordijn en burgemeester De Vlugt |
Organisatie Ook organisatorisch kwamen er vele vernieuwingen. Gordijn introduceerde de functie van brandwacht-werkman, waarmee hij de brandweerlieden in de stille uren extra geld liet verdienen voor zowel henzelf als het korps door klussen voor gemeentediensten uit te voeren. Verder kwamen er geregeld gymnastiekonderwijs, EHBO-cursussen en telegrafistopleidingen. Ook introduceerde hij (in fasen) in 1929 de 24-uursdienst, zoals we die tegenwoordig eigenlijk nog kennen bij de beroepsbrandweer. Hij verzon ook het taxistelsel, waarbij vrije manschappen met taxis op vertoon van hun penningen naar hun kazernes konden worden vervoerd. De grote bezuinigingen in de begin jaren dertig wist hij redelijk te omzeilen door twee kazernes te sluiten en het daarop volgende plan om politie en brandweer samen te voegen, zoals men dat in Den Haag had gedaan, wist Gordijn te traineren tot het niet meer kon. Daarbij zette hij zijn persoonlijke charmes en flair in, waarmee hij in Amsterdam al snel een beroemde persoonlijkheid werd. Hij zorgde voor goede contacten met de pers, onder andere door een bekende verslaggever van de Telegraaf een aantal weken met het korps te laten meedraaien, waardoor er wekenlang leuke en positieve verhalen in de krant stonden. Later zijn die columns nog gebundeld in een boekje, dat gretig aftrek vond bij de bevolking en bestuurders. Binnen- en buitenland Ook buiten het eigen korps trad Gordijn vaak prominent op de voorgrond. In de Koninklijke Nederlandsche Brandweervereeniging (KNBV) waren in de jaren dertig vooral de burgemeesters op de voorgrond getreden, waardoor de technische kanten van het vak wat onder dreigden te sneeuwen. Door de oprichting van een Technische Commissie onder Gordijns voorzitterschap werd daarvoor soms flink tegengas gegeven en vlak voor de oorlog circuleerde er zelfs een reorganisatieplan van Gordijn voor de KNBV, waarin de vereniging meer een brandweervereniging dan burgemeesterclub zou worden. Internationaal kreeg Gordijn grote bekendheid door zijn kennis en bereidheid tot kennisuitwisseling. Het laboratorium dat de brandweer kreeg en de twee heuse ingenieurs die er werden aangesteld, werden vaak ingezet voor baanbrekende experimenten. Als getuige-deskundigen kwamen Gordijn en zijn ingenieurs en officieren vaak bij rechtbanken en regelmatig verschenen er interessante brandweertechnische artikelen in het verenigingsblad van de KNBV, Vuur en Water, vanaf 1937 Het Brandwezen. In 1928 werd Gordijn in Amsterdam ook benoemd tot Hoofd van de Luchtbeschermingsdienst (LBD), maar die functie gaf hij een paar jaar later weer door aan een politie-inspecteur omdat de toenemende oorlogsdreiging teveel tijd en energie ging vergen. Mede door zijn buitenlandse banden zag hij al snel in dat een volgende oorlog vooral een luchtoorlog zou worden en dat het gebruik van strijdgassen een reëel gevaar was. Hij maakte en gaf cursussen voor brandweer maar ook andere disciplines op het gebied van gasbescherming en voor brandweerleiders - vooral in de eigen regio's - organiseerde hij stoomcursussen professionele bevelvoering, ook gericht op grootschalig optreden. Oorlog Al aan het einde van de jaren dertig begon Gordijn wat met zijn gezondheid te kwakkelen, maar telkens kwam hij terug met - ogenschijnlijk - nieuwe energie. Toen in mei 1940 de oorlog uitbrak, was Gordijn in de eerste plaats een Nederlandse brandweerofficier en liet hij hulp verlenen in Rotterdam en de brandende olietanks in zijn eigen havens rustig branden. In juni 1940 zou Gordijn zijn 25-jarig jubileum als commandant vieren, maar vanwege zijn gezondheid werd de viering uitgesteld naar half juli. In verband met de oorlogsomstandigheden kreeg de huldiging een ingetogen karakter, maar er waren talloze gasten uit binnen- en buitenland. Nog in juni kwamen - niet voor een feest - de eerste Duitse brandweerofficieren, in het kielzog van de mobiele brandweercolonne 'Sachsen' naar Nederland en al snel vond men dat de Nederlandse brandweer een inhaalslag te maken had. De Duitse officieren kenden Gordijn en hadden een groot respect voor hem, zodat hij onmiddellijk gepolst werd voor een leidinggevende functie voor heel Brandweer-Nederland. In principe had Gordijn wel belangstelling, want dat bood de mogelijkheid om de door hem en een aantal professionele brandweercommandanten zo vurig gewenste verbeteringen in de Nederlandse brandweer in te voeren. Het idee stuitte echter al snel op een bezwaar. Het plan was om de Nederlandse brandweer langzaamaan om te vormen naar Duits model, waar de brandweerzorg al sinds 1938 onder de politie viel. De nieuwe brandweerbaas voor heel Nederland (later verzon men daar een 'inspectie' voor) zou in de toekomst een semi-militaire of politierang moeten krijgen. Gordijn was echter (al in 1911) getrouwd met een vrouw van Joodse afkomst, dus voor een militaire rang zou hij nooit in aanmerking kunnen komen. Ook als commandant van een hoofdstedelijk brandweerkorps zou hij niet acceptabel zijn met die achtergrond, zodat gezocht moest worden naar een oplossing, waarbij Gordijns kennis en kunde behouden bleef voor de brandweer in Nederland. Het Besluit Brandweerwezen 1941 voorzag in een éénduidige brandweeropleiding in Nederland en daartoe was een centrale brandweerschool voor Nederland een vereiste. Zo'n school te stichten en te leiden was voor Gordijn natuurlijk een kolfje naar zijn hand. Hij kon dan (eindelijk) iets doen aan het peil van de brandweer in Nederland en de grote kennis die hij had opgebouwd overdragen. De functie van directeur van de Rijksbrandweerschool kon een burgerfunctie zijn, zodat niets zijn benoeming in de weg stond. Als brandweercommandant moest hij in april 1941 ontslagen worden, niet op eigen verzoek, maar wel eervol. Daardoor kon Gordijn zich helemaal wijden aan de school, waarvoor hij al grootse plannen aan het ontwerpen was. In augustus werd de benoemingsprocedure voor de school onderbroken voor een ziekenhuisopname wegens maagkanker. Hij overleed tijdens de operatie in het ziekenhuis op 14 augustus 1941. Een paar dagen later werd hij met korpseer begraven. Hij heeft zijn werk niet af mogen maken, maar hij liet zijn sporen decennia lang nog na bij de brandweer in Amsterdam en in Nederland.  | | Ronduit revolutionair was de introductie van het mobiele draadloze radiozend- en ontvangststation annex stafwagen in 1924 |
|
|  |  |  |

zaterdag 4 februari 2012
 Nieuwsberichten ANP e.a. op brandweer.nl






 |