Door onze redacteuren
HARM VAN DEN BERG en FLORIS VAN STRAATEN
DEN HAAG, 10 FEBR.
Om twee minuten over acht, ruim anderhalf uur nadat het El Al-vrachtvliegtuig
in de Bijlmermeer was neergestort, kwam er op zondagavond 4 oktober 1992 op
het hoofdkantoor van politie in Amsterdam een telefoontje binnen van de dienst
luchtvaart van de rijkspolitie op Schiphol. De boodschap luidde: er bevinden
zich geen explosieven ('high explosives') in het toestel, maar de lading bevat
wel gevaarlijke stoffen.
De medewerker van
de luchtvaartpolitie verzocht de telefonist op het hoofdbureau deze mededeling
direct door te geven aan een collega van hem op de rampplek, omdat hij er zelf
op de gebruikelijke frequentie niet door heen kwam. Dat gebeurde echter niet.
B. Welten, die
namens de Amsterdamse politie als commissaris de bergings- en reddingswerkzaamheden
coördineerde, werd hiervan niet in kennis gesteld, zo vertelde hij de enquêtecommissie
van de Tweede Kamer vanmorgen. ,,Het is mij en de collega's in het veld niet
ter ore gekomen.'' Pas gisteravond hoorde hij voor het eerst dat er destijds
zo'n telefoontje was binnengekomen.
Welten hield de
commissieleden voor dat er op de avond van de ramp honderden, zo niet duizenden
telefoontjes op het bureau waren binnengekomen. ,,U zet er nu de schijnwerper
op, maar het was een van de vele meldingen toen. Bovendien had deze kwestie
niet zo veel aandacht als het nu steeds krijgt.'' De Amsterdamse politie is
zelf inmiddels een onderzoek begonnen naar de manier waarop het bewuste telefoontje
is afgehandeld. Daarbij zal in het bijzonder een band worden afgeluisterd, waarop
de gesprekken van die avond op het bureau overeenkomstig een vaste routine zijn
vastgelegd. De band is volgens Welten ,,om redenen van authenticiteit'' bewaard
gebleven.
De politiecommandant
wist destijds evenmin dat er uranium in het verongelukte toestel had gezeten.
Dat vernam hij pas veel later uit kranten. Het kwam als een onaangename verrassing
voor hem en zijn collega's. Als hij dat op de avond van de ramp zelf al had
geweten, had hij de hulpverlening ,,op een volstrekt andere wijze gestalte gegeven''.
Hij toonde zich voor de commissie verontwaardigd over het feit dat deze belangrijke
informatie hem en zijn collega's was onthouden.
Welten onderstreepte
dat hij en zijn team die eerste avond geheel gericht waren geweest op het bergen
van de slachtoffers van de ramp en niet op de inhoud van de lading. ,,Dat had
toen niet de aandacht die het in de afgelopen jaren heeft gekregen'', aldus
Welten. Hij erkende dat de eerste avond voor alle betrokkenen uitermate verwarrend
was geweest, maar volgens hem was dit ook onvermijdelijk en had het de hulpverlenende
instanties niet aan professionaliteit ontbroken. ,,Ik denk dat het ondanks alles
redelijk geölied is verlopen die avond.''
Het zou volgens
hem weinig verschil hebben gemaakt als er ter plaatse volgens een rampenbestrijdingsplan
zou zijn gewerkt. Ervaring en improvisatievermogen waren veel belangrijker.
,,Er was geen tijd om eens op je gemak zo'n plan door te lezen.''
Gevraagd of hij
het nog mogelijk achtte dat er meer mensen bij de ramp om het leven waren gekomen
dan het uiteindelijke officiële dodental van 43, zei hij: ,,Ik sluit in mijn
vak nooit iets uit, maar ik acht de kans buitengewoon klein.'' De politie had
destijds kosten noch moeite gespaard om de gevonden menselijke resten te identificeren
en de meldingen over vermiste personen, ook illegalen, na te trekken. Kort na
de ramp had men een lijst met 1.588 namen. Met behulp van DNA-onderzoek en vergelijking
van soms 33 verschillende bestanden, werd uiteindelijk geconcludeerd dat het
om 43 slachtoffers moest gaan, inclusief de vier mensen aan boord van het verongelukte
vliegtuig.
De identificatie
verliep in sommige gevallen zeer moeizaam, een jaar na de ramp werden er op
een Caraïbisch eiland nog vier kisten met (zeer kleine) menselijke resten ter
aarde besteld. Na de eerste weken hebben zich volgens Welten nooit meer mensen
bij de politie gemeld met mededelingen of verzoeken over nog vermiste personen,
die niet tot de 43 behoorden. Op de geruchten die de commissie hierover hadden
bereikt, wilde hij verder niet ingaan.
Brandweercommandant
C. te Boekhorst vertelde de commissie dat hij de avond van de ramp geen andere
mededelingen had gekregen dan: ,,Geen gevaarlijke stoffen''. En hoewel de commandant
zei dat metingen niet erg zinvol zijn als niet bekend is om welke stoffen het
gaat, waren er later op de avond door de brandweer zelf toch controles uitgevoerd.
Maar ook die hadden geen enkele indicatie gegeven dat er op de plek van de ramp
gevaarlijke stoffen waren vrijgekomen. Deze metingen werden gedaan in overleg
met de Rijksluchtvaartdienst.
Opmerkelijk was
zijn mededeling dat er ,,ongeveer tot half twee 's nachts is gecontroleerd op
radioactieve straling''. Eveneens zonder resultaat. Bij een vraag over de bergingswerkzaamheden
en de verdwenen cockpit voice recorder zei Te Boekhorst, dat hij op een gegeven
ogenblik ,,een zwartgeblakerde koektrommel'' in handen kreeg en die had overgedragen
aan de politie.
Bron: NRC Handelsblad