NBDC - english

NBDC - deutsch

NBDC - français
Zoek
Contact
Links
Sitemap

NBDC-home / Geschiedenis / Brandspuitfabrikanten

Nederlandse brandspuitfabrikanten in de vorige eeuw

INHOUDSOPGAVE:
  Inleiding
  De brandspuitenfabriek in de Koestraat
  Van imitatie naar eigen ontwerp
  Niet allemaal even goed
  Inventarisatie 1825
  Inventarisatie 1845
  Andere initiatieven
  Thorbecke's gemeentewet van 1851
  De internationale tentoonstelling te Middelburg (1864)
  "Voortschrijdend inzicht"
  Bijlage A: handbrandspuiten in Amsterdam
  Bijlage B: overzicht van de in 1921 bij Amsterdam geannexeerde brandweerkorpsen en hun materieel

Inleiding
Eén van de oudste en bekendste brandspuitfabrieken in Nederland was in de vorige eeuw wel die van de Erven Arent Almenum te Amsterdam. Dat zat 'm niet zozeer in de heer Almenum zelve, als wel zijn illustere voorgangers, de Jannen van der Heiden.
De eerste bekende Jan van der Heiden was samen met zijn broer Nicolaas in 1672 belast met het toezicht op de brandspuiten en het blusmateriaal van de Stad Amsterdam. Dat was vooral te danken aan het succes van de door hen geïntroduceerde zuig-perspomp, de aanjager (tegenwoordig haler geheten), en het gebruik van brandslangen.
Nadat Jan en Nicolaas, onder andere door gebruikmaking van een windketel het materieel zodanig had- den verbeterd dat er naar de stand der techniek in die jaren niets meer te verbeteren viel, gingen zij zich bezig houden met de organisatie van de brandbestrijding. Nicolaas maakte de bekroning daarvan niet meer mee, zodat bij het aantreden van de nieuwe brandweerorganisatie in Amsterdam in 1685 alleen Jan van der Heiden en zijn zoon Jan (de jonge, zoals hij zich noemde) benoemd konden worden tot generaal- brandmeester.

De brandspuitenfabriek in de Koestraat
Ondertussen hadden Jan (de oude, zal ik maar zeggen) en Nicolaas een brandspuitenfabriek opgericht in de Koestraat in Amsterdam. Door de gigantische verbeteringen aan de handbrandspuiten met toebehoren en de vele octrooien die zij daarop bezaten, ging het met die fabriek zeer voorspoedig. De orginele door deze fabriek gemaakte spuiten komt men dan ook nog overal ter wereld tegen in de brandweermusea.
Toen de oude Jan in 1712 de (straal)pijp uitging, werd hij natuurlijk opgevolgd door zijn zoon Jan (de jonge). Deze was evenals zijn vader een uitstekend zakenman en de fabriek maakte onder zijn bewind een grote naam in de branche.
Begin 1726 overleed ook de jonge Jan (toen toch al 64 jaar) en werd hij opgevolgd door zijn één jaar jongere broer Samuel. De jonge Jan had namelijk twee dochters, die geen van beiden interesse toonden in het ambt van generaal-brandmeester (waarschijnlijk is dat zelfs nooit serieus overwogen) en het vak van brandspuitfabrikant.
Samuel zette de zaak nog drie jaar voort, en verwisselde toen zelf het tijdelijke met het eeuwige, terwijl hij vrijgezel was.
Op dat moment (11 januari 1729) kwamen stadsbestuur en fabriek in de problemen, omdat er geen opvolgers voor de familie Van der Heiden voorhanden waren.
Gelukkig bood de Amsterdamse zakenman Pieter Pietersz. zich aan om de brandspuitfabriek over te nemen, en het daarbij eigenlijk traditioneel behorende ambt van generaal- brandmeester van de stad Amsterdam. Belangenvermenging stond toen nog niet in het woordenboek.
Pieter, die zich om niet te traceren redenen ging bedienen van de achternaam Almenum, bestierde de zaak gedurende ruim 17 jaar, en werd na zijn dood opgevolgd door zijn zoon Wijbrand Almenum. Na zijn 23-jarig bewind, eveneens eindigende door een overlijden werd hij opgevolgd door zijn zoon Arent, op dat moment 28 jaar oud. Arent overleed op 25 maart 1784 op 42-jarige leeftijd en kinderloos. Andermaal zaten fabriek en stad zonder brandweerbaas.
Vanaf dat moment werden de functies van generaal- brandmeester en brandspuitfabrikant gescheiden. Het generaal-brandmeesterschap ging over naar de plaatsvervangend 'generaal', Willem Somer.
De brandspuitfabriek ging over in de handen van de erfgenamen van Arent, waarop de fabriek 'De Erven Arent Almenum' ging heten. Op 27 december 1800 werd de fabriek gekocht door Anthony Cornelis Vermunt, die in 1825 overleed. Zijn erfgenamen verkochten de fabriek in 1827 aan Jan Hessel van der Willige, die als fabrieksnaam steeds de Erven Arent Almenum bleef gebruiken.

Van imitatie naar eigen ontwerp
Over de overige brandspuitfabrieken in Nederland aan het einde van de achttiende eeuw is heel weinig bekend. Gezien de verspreiding van de Van der Heidenspuiten over de grotere plaatsen in Nederland mag worden aangenomen dat de concurrentie in eigen land zeer beperkt was.
Het bewaken van de octrooien buiten de landsgrenzen was in die jaren van vóór de telefax bijzonder moeilijk en elders in de wereld verschenen al kort na de boeken van de Jannen allerlei modellen brandspuiten, die verdacht veel overeenkomsten met die van de Van der Heidens vertoonden.
Toen de landsgrenzen flink door elkaar geschud werden door de Franse expansiedrift en de binnenlandse octrooien begonnen te verlopen, kwam ook in eigen land de brandspuitproductie in gang bij andere bedrijven.
Toen koning Lodewijk Napoleon in 1807 bepaalde dat alle plaatselijke besturen in het rijk zichzelf (draagbare) brandspuiten moesten aanschaffen, werd in één adem het product van de Delftse fabrikant Mr. J.H. Onderdewijngaart Canzius aanbevolen, die een spuit fabriceerde naar het ontwerp van de uitvinder Martinus van Marum.

Niet allemaal even goed
Nadat de landsgrenzen in 1815 weer in de plooi waren gebracht werd een inventarisatie gemaakt van deze tak van nijverheid. In Amsterdam was er de bekende fabriek van de Erven Arent Almenum, die echter door de concurrentie een kwijnend bestaan leek te leiden, in Haarlem waren er twee, die een redelijk gevulde orderportefeuille hadden, in Breda was er een, die toen echter stillag, en in Nijmegen was een tamelijk gunstig draaiende fabriek. In het noorden en het zuiden (België) waren bijna geen brandspuitfabrieken te vinden. De weinig florerende brandspuitenindustrie had te kampen met concurrentie (ook uit het buitenland), de weigering van gemeentebesturen om zich dure spuiten te laten opdringen en de duurzaamheid van de in het verleden gemaakte producten. Zo werd in Amsterdam pas in 1924 een door Jan van der Heiden vervaardigde handbrandspuit buiten dienst gesteld na 242 jaar! (Over afschrijvingstermijnen gesproken....)
Van de negen brandspuitfabrieken die de statistieken in 1819 in de Nederlanden (dus inclusief België) vermeldden, werd van slechts een (Fischer in Gelderland) de toestand gunstig genoemd. De andere werden als kwijnend of middelmatig gekwalificeerd.

inventarisatie 1825
In 1825 werden de brandspuitfabrikanten andermaal geïnventariseerd, mede om het gemeentebesturen een keuze te bieden als zij zich dergelijke nuttige zaken in het algemeen belang gingen aanschaffen.
Zo werden op dat moment de volgende fabrieken aanbevolen:

  Govert Bijvoet en Zn. te Geertruidenberg,
  Johannes Bijvoet Azn. te Geertruidenberg,
  P.J. Huijgh te Brussel,
  J. Pitet te Brussel,
  J.P. Gerard en Comp te Luik,
  F.M. Lagasse te Luik,
  J.F. Ortmans te Verviers,
  J.J. Fischer te Nijmegen,
  B. Studel te Bergen (Henegouwen),
  Huart te Charleroi,
  Erven Arent Almenum te Amsterdam,
  H. Belder en Comp. te Amsterdam,
  C. Gerber te Haarlem,
  C.D. Lucas te Haarlem,
  P.C. Vervenne te Middelburg,
  H.H. Vervenne te Middelburg,
  P.G. Olischlager te Middelburg.

Opvallend genoeg werd de firma Sander Bikkers en Zoon te Rotterdam niet in deze aanbeveling opgenomen, hoewel Fischer, Belder, Gerber en Bikkers als belangrijkste brandspuitleveranciers aan het Rijk werden genoemd in 1826.
Geïnspireerd door de toenemende industrialisatie van Nederland en het daarbij behorende brandgevaar, werd in 1827 bepaald, dat elke stad of gemeente één of meer brandspuiten moest hebben. Dit kwam de welvaart van de brandspuitfabrieken natuurlijk zeer ten goede, en hun aantal groeide dan ook gestaag.
In 1835 werd door de Provincie Noord-Holland een circulaire rondgestuurd, waarin nog eens herinnerd wordt aan de zorg voor goede brandspuiten en de Amsterdamse brandspuitenfabriek van H. Belder en comp werd aangeprezen.

Inventarisatie 1845
In 1845 werd de ten behoeve van de gemeenten gepubliceerde lijst van brandspuiten aangepast. Hoewel de Nederlanden inmiddels gehalveerd waren was het aantal brandspuitfabrieken bijna gelijk als voor de splitsing. Aanbevolen werden:

  A.H. van Bergen te Midwolda,
  G. Abbink te Borne (Ov.),
  J.W. te Hasselo te Lochem,
  H.J. Wemerman te Voorst,
  J.H. van der Willige, firma de Erven Arent Almenum te Amsterdam,
  H. Belder en comp. te Amsterdam,
  A. Gerber te Haarlem,
  C.D. Lucas te Haarlem,
  H. Schober te Haarlem,
  A. Bikkers en zoon te Rotterdam,
  J. Peek te Middelburg,
  P.C. Vervenne te Middelburg,
  U. van der Os te Vlissingen,
  J. Bijvoet te Geertruidenberg en
  L. van Beethoven te Maastricht.

Hoewel de gebroeders Smits te Nijmegen ook brandspuiten fabriceerden, kwamen zij niet op de lijst voor. Pas in 1846 konden zij de gouverneur van Gelderland blijkbaar overtuigen van de kwaliteit van hun product.
Ook L.W. Schutz te Zeist en W. Slotboom te 's-Gravenhage meldden zich in respectievelijk 1845 en 1846 aan om op deze lijst te mogen worden geplaatst.
In 1847 begonnen de gebroeders C. en B.A. van der Horst te Kampen hun diensten op de brandspuitenmarkt aan te prijzen.

Andere initiatieven
In diezelfde periode (1864) trok ene W. van Hoven te 's- Gravenhage met een stroom van correspondentie en een gedrukt boekwerkje van leer tegen de zijns inziens slechte toestand van de blusmiddelen in zijn gemeente. Achter in het boekwerkje bleek dat er misschien wel een klein beetje eigenbelang achter school, want daarin werd de brandspuit van F. Requilé & Beduwé te Luik aangeprezen, waarvan hij de alleenvertegenwoordiging in Nederland had verworven.
De gemeente Amsterdam had sinds 1831 zijn eigen 'brandspuitwinkel', onderdeel van het Stads Fabrieksambt, de voorganger van de Dienst Publieke Werken. Daar werden niet zozeer spuiten gefabriceerd, maar het omvangrijke blusarsenaal van de gemeente onderhouden. Voortvarende technische ambtenaren, die ook toen al bestonden, brachten herhaaldelijk verbeteringen aan, gebruik makende van de voortschrijding der techniek.
Toen de vorige-eeuwse privatiseringsgolf woedde, werd dit werk met ingang van 1 juli 1869 uitbesteed voor tien jaar aan de inmiddels gerenommeerde Amsterdamse firma H. Belder en co., welk contract in 1874 weer moest worden afgekocht in verband met de oprichting van de beroepsbrandweer in dat jaar.

Thorbecke's gemeentewet van 1851
Thorbecke's gemeentewet van 1851 legde nog eens de plicht van alle nieuw gevormde gemeentebesturen vast om voldoende brandblusmiddelen aan te schaffen en in stand te houden.
Andermaal leefde de brandspuitenfabricage op, maar al snel raakte de markt verzadigd.
Nieuwe vindingen deden hun intree, zoals de rotatiepomp (voorvader van de centrifugaalpomp), die de slijtagegevoelige en arbeidsintensievezuigerpompen langzaamaan ging vervangen, en de aandrijving door middel van stoommachines.

de internationale tentoonstelling te Middelburg (1864)
Toen in juli 1864 in Middelburg een internationale (!) tentoonstelling met wedstrijd van brandspuiten werd georganiseerd waren deze nieuwe snufjes van de techniek ook aanwezig.
Twee stoomspuitfabrikanten uit Engeland, Merryweather en Shand, Mason & Co. toonden hun producten en deden velen in verbazing staan. Door wat kleine technische probleempjes presteerde de Merryweather-stoomspuit iets minder goed, zodat de gemeente Amsterdam in datzelfde jaar twee stoomspuiten bestelde bij Shand, Mason & Co. In 1866 werden ze afgeleverd en in dienst gesteld.
Op de Middelburgse wedstrijd waren natuurlijk alle zichzelf respecterende brandspuitfabrikanten in Nederland en omgeving aanwezig. Getoond werden behalve de twee genoemde stoombrandspuiten:

  2 brandspuiten van L. Bytebier-de Lorge te Gent,
  1 brandspuit van J.B. Kestemont te Brussel,
  1 brandspuit van E.D. Antonissen te Brussel,
  6 brandspuiten, twee wagens en een transportabele watertank van F. Requilé Jne & Beduwé te Luik, vertegenwoordigd door W. Hoven te 's-Gravenhage,
  1 brandspuit van de gemeente Amsterdam (buiten mededinging),
  4 brandspuiten van de Koninklijke (jawel, het na veel pijn en moeite verkregen predikaat) brandspuit-fabrikanten H. Belder en Co. te Amsterdam,
  5 brandspuiten en een aantal slangen en accessoires van A. Bikkers & Zoon te Rotterdam,
  2 brandspuiten van I.Th. Bouten te Well (Limburg),
  6 brandspuiten van A.H. van Bergen te Heiligerlee,
  2 brandspuiten van G. en W.J. Eleveld te Zwolle,
  1 brandspuit van M. Kronenburg te Culemborg,
  3 brandspuiten van F.B. Meylink te Haarlem,
  2 brandspuiten van Gebrs. van den Noort te Kampen,
  6 brandspuiten, slangen en accessoires van W.C. Pasteur & Co. te Rotterdam,
  4 brandspuiten van Gebr. Peek te Middelburg,
  2 brandspuiten van J.H. Pothmann te Arnhem,
  1 brandspuit met aanjager van T. van der Ploeg te Grouw,
  1 brandspuit met aanjager van A. Smits te Nijmegen,
  1 brandspuit van J.H.C. van der Willige, de firma Erven Arent Almenum te Amsterdam en
  1 brandspuit van Joh. Volkers Jzn. te Zwolle.

Verder werden er een groot aantal zuig- en persslangen, handbrandblussers, ladders, haken en 'reddingstoestellen' getoond en was er een historische hoek ingericht met behulp van prenten van Jan van der Heiden uit een particuliere verzameling.
De tentoonstelling en wedstrijd waren een groot succes, en vele overheidsinstellingen en fabrieken stuurden deskundigen naar Zeeland om een keuze te maken.
De schitterende prestaties van de stoomspuiten maakten veel indruk, maar ze zagen er toch maar vervaarlijk uit en maakten een verschrikkelijke herrie. De tendens werd dan ook al snel om de stoomspuiten aan te schaffen voor grotere gemeenten en rijksinstellingen als marinewerven e.d., en de handbrandspuiten van het beproefde procédé te handhaven voor de kleinere gemeenten en complexen.

[terug naar inhoudsopgave]

"voortschrijdend inzicht"
De industrialisatie versnelde zich in de tweede helft van de vorige eeuw, mede dankzij de stoommachines en het gebruik van petroleum en gas. Toen de stoomspuiten dan ook kleiner en handzamer waren, en aan het begin van de jaren tien van deze eeuw de verbrandingsmotor in combinatie met een bluspomp zijn intrede deed, was het snel afgelopen met de fabricage van handbrandspuiten. Slechts enkele fabrieken waren in staat om de omwenteling mee te beleven, en reeds in 1913 werd nergens meer gewag gemaakt van de productie van handbrandspuiten.
Niet onbekende namen als Landré & Glindermann of Otterbein moeten dus slechts korte tijd op de brandspuiten geplakt zijn geweest.
Hoewel in sommige gemeenten de handbrandspuiten nog vele jaren in actieve dienst bleven - hun duurzaamheid werd al eerder gememoreerd - was het met de fabricage van deze apparaten der 'ellebogenstoom' snel gedaan.
Talrijke handbrandspuiten zijn in Nederland nog bewaard gebleven, ondanks de metaalschaarste die zich in de oorlog heeft voorgedaan. Nu krijgen de meesten een nieuw leven als curiositeit, mascotte of museumstuk en worden ze net zo liefdevol gekoesterd als door de fabrikanten van toen....

Bronnen: De Nederlandse Brandspuitmakerijen voor 1850, dr. ir. J. Mac Lean, Brand & Brandweer, 1978, pag. 101 e.v.,
Provinciaal Blad van Noord-Holland, div. jaren,
Catalogus der Internationale Tentoonstelling van Brandspuiten, brandblusch- en brandreddingstoestellen te houden te Middelburg op 12 juli 1864 en volgende dagen,
De slechte toestand van de brandbluschmiddelen in Nederland,
W. van Hoven, 1846,
eigen archief G.P. Koppers,
diverse stukken uit het NBDC.

[terug naar inhoudsopgave]

BIJLAGEN

Bijlage A: handbrandspuiten in Amsterdam
In Amsterdam zijn oorspronkelijk de handbrandspuiten van Hans Hautsch uit Neurenberg aangeschaft, die later werden omgebouwd door de gebroeders van der Heiden.
Gaandeweg werden alle oude brandspuiten vervangen door modellen van Jan van der Heiden en zijn opvolgers.
Toen op 1 juli 1869 H. Belder & Co. het onderhoud van de Amsterdamse gemeentespuiten overnam, kwamen natuurlijk hun spuiten bij vervanging in de plaats van de oude.
In 1874 werd de beroepsbrandweer opgericht, die zich bediende van handspuiten van een voor die tijd nieuw model, van de fabrikanten Pothmann te Arnhem en Belder te Amsterdam.
Oude spuiten van de vrijwillige brandweer werden al snel gesloopt, hoewel enkele exemplaren nog enige tientallen jaren dienst deden in openbare gebouwen.
De enige nog overgebleven spuit - voor zover bekend - van de Jan van der Heidenserie is die van het Burgerweeshuis te Amsterdam, en deze bevindt zich thans in het Nationaal Brandweermuseum te Hellevoetsluis.
Wat er met al die andere handspuiten van de vrijwillige- en beroepsbrandweer is gebeurd, valt niet te achterhalen.
Vier van de spuiten uit de vrijwillige tijd hebben nog dienst gedaan bij de vrijwillige brandweer aan de Overzijde van het IJ, die van 1878 tot 1898 actief was.

Door de annexaties van met name 1896 en 1921 kwam de gemeente Amsterdam weer in het bezit van een aantal handbrandspuiten, voorheen eigendom van de geannexeerde gemeenten.
In 1896 werden van de gemeente Nieuwer-Amstel (tegenwoordig Amstelveen) 1 stoomspuit en 13 handspuiten van een niet nader genoemd merk overgenomen. Al deze brandspuiten werden in 1898 al weer buiten dienst gesteld, en over hun verdere bestaan is ook niets meer bekend.
In 1921 kwamen een groot aantal handspuiten binnen de uitgerekte gemeentegrenzen van Amsterdam te vallen die in de verschillende vrijwillige korpsen dienst deden. Een belangrijk deel van die korpsen werd al in 1922 opgeheven, maar enkele veraf gelegen dorpen behielden hun handspuiten en hun vrijwillige brandweerkorpsen. Mede daardoor is er nog een aantal bewaard gebleven.

[terug naar inhoudsopgave]

Bijlage B: overzicht van de in 1921 bij Amsterdam geannexeerde brandweerkorpsen en hun materieel
Hoewel niet van alle spuiten gegevens bekend zijn, volgt hieronder een overzicht van de in 1921 verkregen handbrandspuiten en hun vervolg:

  BUIKSLOOT: 1 handspuit onbekend, buiten dienst op 1-7-1922
  BURGERDAM: 1 handspuit Beduwé, buiten dienst op 29-7-1945
  GROOTE IJPOLDER: 1 hand- spuit Otterbein (4-wielig), buiten dienst op 8-6-1956. Deze spuit is momenteel in beheer bij de Stichting Behoud Erfgoed Brandweer Amsterdam
  HOLYSLOOT: 1 handspuit Otterbein (2-wielig), buiten dienst op 29-7-1945. Deze spuit is in beheer bij de Stichting Behoud Erfgoed Brandweer Amsterdam
  NIEUWENDAM-DIJK: 1 handspuit Belder, buiten dienst op 1-7- 1922
  NIEUWENDAM-MEERPAD: 1 handspuit Otterbein, buiten dienst op 1-7-1922
  NIEUWER-AMSTEL AMSTELDIJK: 1 handspuit Beduwé, buiten dienst op 1-7-1922
  NIEUWER-AMSTEL AMSTELVEENSCHEWEG: 1 handspuit Beduwé, buiten dienst op 27-4-1937
  OSDORP-161: 1 slangenwagen onbekend, buiten dienst op 1-7- 1922
  OSDORP-85: 1 handspuit Otterbein (4-wielig), buiten dienst op 29-7-1945. Deze spuit bevond zich in ieder geval tot 1988 bij dhr. v.d. Puy, Sloterweg 1277 te Amsterdam-Sloten
  OUDER-AMSTEL OMVAL: 1 handspuit onbekend, buiten dienst op 1-7-1922
  RANSDORP: 1 handspuit Otterbein (4-wielig), buiten dienst op 29-7-1945. Deze spuit bevindt zich thans in zijn oorspronkelijke stalling: het portaal van de kerktoren van Ransdorp
  SCHELLINGWOUDE: 1 handspuit Beduwé, buiten dienst op 1-7-1922
  SLOTEN: 1 handspuit Landré & Glindermann (2- wielig), buiten dienst op 29-7-1945. Deze spuit bevindt zich thans in het dorpshuis van Sloten, Noorder Akerweg 14 te Amsterdam-Sloten
  SLOTEN-OVERTOOM: 1 handspuit Landré & Glindermann, buiten dienst op 1-7-1992
  SLOTEN-BAARSJES: 1 handspuit Jan van der Heiden, buiten dienst op 1-7-1922
  SLOTEN-ADMIRAAL DE RUYTERWEG: 1 slangenwagen en 1 machinale ladder, buiten dienst op 1-7-1922. De slangenwagen bevindt zich thans in de kantine van de brandweerkazerne Hendrik (Marnixstraat)
  SLOTERDIJK: 1 handspuit Otterbein, buiten dienst op 31-12- 1949
  TUINDORP OOSTZAAN: 1 handspuit Otterbein, buiten dienst op 1-7-1931
  WATERGRAAFSMEER-SCHOOLLAAN: 1 handspuit onbekend, buiten dienst op 1-7-1922
  WATERGRAAFSMEER-RINGDIJK: 1 handspuit onbekend, buiten dienst op 1-7-1922
  ZUNDERDORP: 1 handspuit Otterbein, buiten dienst op 29-7- 1945.
  Op de kazerne P (Poeldijkstraat) bevindt zich een handbrandspuit waarvan de herkomst en het fabrikaat niet zijn vast te stellen.

[terug naar inhoudsopgave]

 

snelzoeken binnen de site

woensdag 8 september 2010

www.brandweer.nl

Laatste wijzigingen op nbdc.nl
Nationaal monument voor omgekomen brandweermensen
Historische documenten op internet
Werkgroep Brandweer Historie
Oproep voor gegevens over omgekomen brandweerlieden

Nieuwsberichten ANP e.a. op brandweer.nl

Bezoek het Nationaal Brandweermuseum Hellevoetsluis